ECLI:NL:RBROT:2011:BP6562
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Uitleg van uitsluitingsclausule in verzekering maandlasten bij ontslag
De zaak betreft een geschil over de uitleg van een uitsluitingsclausule in de polisvoorwaarden van een verzekering die maandlasten beschermt bij werkloosheid. De verzekerde, die eind 2008 zijn arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden beëindigde, stelde dat hij recht had op een uitkering vanaf 1 februari 2009. De verzekeraar weigerde de uitkering met het argument dat de werkloosheid voortvloeit uit een gebeurtenis binnen 180 dagen na de ingangsdatum van de verzekering per 1 juli 2008.
De kern van het geschil was de uitleg van het woord 'gebeurtenis' in artikel 15 sub e van Pro de polisvoorwaarden. De verzekeraar stelde dat het ging om een feitelijke gebeurtenis die leidt tot werkloosheid, zoals het verlenen van een ontslagvergunning of het tekenen van een beëindigingsovereenkomst, en niet om de formele werkloosheid zelf. De verzekerde betoogde dat 'gebeurtenis' moest worden uitgelegd conform artikel 12, dat de werkloosheid zelf betreft.
De rechtbank overwoog dat de uitsluitingsclausule bedoeld is om te voorkomen dat iemand die feitelijk binnen 180 dagen na de ingangsdatum is ontslagen, maar formeel later werkloos wordt, toch onder de dekking valt. De taalkundige betekenis van 'gebeurtenis' wijst op een feitelijk gebeuren en niet op de formele werkloosheid. Uit bewijsstukken bleek dat de ontslagprocedure en overeenstemming over beëindiging van het dienstverband reeds in november en december 2008 plaatsvonden, dus binnen 180 dagen.
Daarom oordeelde de rechtbank dat de uitsluitingsclausule van toepassing is en dat de verzekerde geen recht heeft op uitkering. De vordering werd afgewezen en de verzekerde werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en oordeelt dat de uitsluitingsclausule van toepassing is, waardoor geen recht op uitkering bestaat.