ECLI:NL:RBROT:2010:BO6093
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling retentierecht en toepasselijk recht bij tijdbevrachting en cognossement in zeevervoer
In deze zaak staat centraal of Delphis HK als vervrachter een retentierecht kon uitoefenen op lading van International Rice, en welk recht daarop van toepassing is. De tijdbevrachtingsovereenkomst tussen Delphis HK en Europa West-Indië Lijnen B.V. (EWL) bevatte een contractueel retentierecht, maar International Rice had de vracht reeds voldaan aan EWL. Na het faillissement van EWL nam Delphis HK het gezag over het schip terug en loste de lading in Bilbao, Spanje, wat tot geschil leidde.
De rechtbank stelt vast dat het toepasselijke recht voor het retentierecht het recht van de staat is waar de goederen feitelijk worden gelost, hier Spaans recht, conform artikel 6 Wet Pro IPR zeerecht. Het Nederlandse retentierecht uit artikel 8:489 BW Pro is derhalve niet van toepassing. Delphis HK heeft onvoldoende concrete stellingen over het Spaanse retentierecht gedaan. Daarnaast is niet vastgesteld dat Delphis HK vervoerder onder het cognossement is geworden, zodat zij zich niet op het retentierecht kan beroepen tegenover International Rice.
De rechtbank draagt Delphis op bewijs te leveren van last en volmacht van Delphis HK om de vordering in eigen naam te voeren. De vordering tot betaling van € 191.408,55 wordt aangehouden, evenals de vorderingen in reconventie. De zaak wordt verwezen voor conclusie na tussenvonnis. De vordering tegen de curator wordt afgewezen wegens gebrek aan grondslag.
Uitkomst: De rechtbank draagt bewijsopdracht op en houdt verdere beslissingen aan; vordering tegen curator wordt afgewezen.