ECLI:NL:RBROT:2010:BO5101
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verrekening door curator bij faillissement en onrechtmatige onttrekking aan boedel
Aan [junior] is op 8 juli 1997 surseance van betaling verleend en op 7 januari 1999 failliet verklaard. [Senior], zijn vader, vordert verificatie van diverse vorderingen als concurrente schuldvorderingen in het faillissement van [junior], waaronder leningen, een voorkeursrecht op grond, borgtocht/derde-onderzetting en betaalde schulden. De curator betwist deze vorderingen en stelt een reconventionele vordering in wegens onttrekking van bedragen aan de boedel.
De rechtbank oordeelt dat leningen die tijdens de surseance zijn aangegaan zonder medewerking van de bewindvoerder niet aan de boedel kunnen worden tegengeworpen. Betalingen door [senior] aan schuldeisers van [junior] na de surseance worden niet erkend als boedelschulden. De curator kan geen beroep doen op verrekening omdat de vordering van [senior] een concurrente vordering betreft en de vordering van de curator een boedelvordering.
Verder stelt de rechtbank vast dat [senior] wist van de surseance en faillissement en dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door betalingen van schuldenaren van [junior] op zijn bank- en girorekening te ontvangen, waardoor de boedel is benadeeld. Hij is daarom schadeplichtig aan de boedel. Het verweer van [senior] dat hij te goeder trouw was, faalt. De rechtbank houdt de beslissing aan voor nadere bewijslevering en reactie op het verweer omtrent artikel 100 Fw Pro.
Uitkomst: Het beroep op verrekening door de curator wordt afgewezen en [senior] is aansprakelijk voor onrechtmatige onttrekkingen aan de boedel.