ECLI:NL:RBROT:2010:BN7297
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid wegens verwijtbare vertraging in medische behandeling met blindheid als gevolg
Eiser, een asielzoeker uit Rwanda, stelt dat een arts in dienst van gedaagde op 30 januari 1998 onzorgvuldig heeft gehandeld door hem niet direct door te verwijzen naar een oogarts, wat heeft geleid tot zijn blindheid. Gedaagde betwist de betrokkenheid van de genoemde arts bij de behandeling op die datum en voert verweer dat de klachten geen spoedige doorverwijzing rechtvaardigden en dat het causale verband ontbreekt vanwege de aard van de infecties.
De rechtbank laat het late verweer van gedaagde toe in het belang van materiële waarheidsvinding en draagt eiser op bewijs te leveren dat een werknemer van gedaagde bij de behandeling betrokken was. Indien dit bewijs wordt geleverd, zal een deskundige worden benoemd om te beoordelen of sprake is van onzorgvuldig handelen en causaal verband.
De rechtbank overweegt dat het niet verwijzen op 30 januari 1998 als onzorgvuldig kan gelden, maar dat vaststelling van schending van een veiligheidsnorm en het causale verband nader deskundigenonderzoek vergt. De procedure wordt geschorst voor bewijslevering en deskundigenbericht, waarbij eiser geen voorschot op kosten hoeft te betalen vanwege toevoeging.
De uitspraak benadrukt het belang van het bewijzen van betrokkenheid van de arts en het causale verband tussen de vertraging en de blindheid, waarbij medische inzichten uit 1998 leidend zijn. De rechtbank wijst op de noodzaak van deskundigenonderzoek om de medische standaard en het effect van mogelijke behandeling te beoordelen.
Uitkomst: Eiser moet bewijs leveren dat een werknemer van gedaagde betrokken was bij zijn behandeling; bij slagen wordt deskundigenbericht benoemd.