ECLI:NL:RBROT:2010:BM2681
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.F.L.M. van der Grinten
- P. Vrolijk
- M.C. van der Kolk
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot wraking rechter in echtscheidingsprocedure afgewezen wegens ontbreken van objectieve vooringenomenheid
In deze zaak diende een verzoeker een wrakingsverzoek in tegen de rechter die betrokken was bij zijn echtscheidingsprocedure en de behandeling van voorlopige voorzieningen. Verzoeker baseerde zijn verzoek op enkele zinsneden uit een beschikking van 21 april 2008, waarin de rechter de verblijfplaats van het minderjarige kind en de omgangsregeling bepaalde. Verzoeker vreesde dat deze zinsneden een vooringenomenheid in het voordeel van de vrouw zouden kunnen suggereren.
Tijdens de zitting van 16 april 2010 werd het wrakingsverzoek formeel ingediend. De wrakingskamer heeft het dossier, inclusief proces-verbaal en eerdere stukken, bestudeerd en partijen gehoord. De rechter had voorafgaand aan de zitting schriftelijk gereageerd op het verzoek.
De rechtbank oordeelde dat het wrakingsverzoek tijdig was ingediend en ontvankelijk was. Vervolgens werd beoordeeld of er sprake was van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid. De enkele omstandigheid dat verzoeker subjectief de indruk had dat de rechter partijdig was, was onvoldoende. De aangevoerde zinsneden en procesbeslissingen, zoals het niet meenemen van een schuld in de alimentatieberekening, waren niet zodanig onbegrijpelijk dat ze een aanwijzing voor vooringenomenheid vormden.
De rechtbank concludeerde dat de rechter uit hoofde van haar functie moet worden vermoed onpartijdig te zijn en dat er geen zwaarwegende aanwijzingen waren om dit te betwijfelen. Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van objectieve aanwijzingen voor vooringenomenheid.