ECLI:NL:RBROT:2010:BM2518
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Klein Wolterink
- Van der Bijl-de Jong
- Mantel-Duetz
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens invoer van grote hoeveelheid cocaïne in Rotterdamse haven
De rechtbank Rotterdam heeft op 26 april 2010 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte die werd verdacht van medeplegen van de invoer van circa 327 kilogram cocaïne in de haven van Rotterdam. De zaak startte op basis van informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (CIE) die voldoende concreet was om een redelijk vermoeden van schuld te rechtvaardigen en het inzetten van bijzondere opsporingsbevoegdheden, zoals telefoontaps, mogelijk maakte.
De rechtbank oordeelde dat de inkijk in het hotmailaccount van een medeverdachte onrechtmatig was omdat opsporingsambtenaren niet zonder toestemming van de gebruiker mogen inloggen, ook niet bij rechtmatige verkrijging van gebruikersnaam en wachtwoord. Dit vormverzuim leidde echter niet tot rechtsgevolgen omdat de persoonlijke levenssfeer van de verdachte niet was geschaad.
Feiten en bewijsmiddelen toonden aan dat verdachte samen met anderen betrokken was bij de invoer van cocaïne, onder meer door communicatie via telefoongesprekken en sms-berichten, ontmoetingen in Nederland en België, en aanwezigheid in Antwerpen waar de drugs werden gelost. Verdachte gaf een ongeloofwaardige verklaring over zijn verblijf in België. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte medepleegde aan het strafbare feit.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van drie jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, de maatschappelijke impact van harddrugs, zijn rol in het criminele netwerk en de reeds doorgebrachte voorlopige hechtenis. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf voor medeplegen invoer van circa 327 kilogram cocaïne.