ECLI:NL:RBROT:2010:BL9453
Rechtbank Rotterdam
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens onvoldoende aannemelijkheid opdrachtgever en vertegenwoordigingsbevoegdheid
Houdijk vordert betaling van RSG voor verrichte werkzaamheden, waarbij discussie bestaat over wie de opdrachtgever is: RSG of haar failliete dochtermaatschappij Romij. Houdijk baseert haar vordering op een door een vertegenwoordiger van RSG ondertekende offerte en de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid.
RSG stelt dat Romij de opdrachtgever is en dat de ondertekening een misverstand betrof, mede omdat de facturen op verzoek aan Romij zijn gericht. De rechtbank oordeelt dat Houdijk onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de vertegenwoordigingsbevoegdheid en de achtergrond van het factuuradres, wat van een professionele partij verwacht mag worden.
Er is geen overtuigend bewijs dat RSG als opdrachtgever kan worden aangemerkt of dat de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid gerechtvaardigd was. Hierdoor is de vordering niet in hoge mate aannemelijk en wordt deze afgewezen. Houdijk wordt veroordeeld in de proceskosten en het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vordering van Houdijk tegen RSG wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid dat RSG opdrachtgever is en onvoldoende gerechtvaardigd vertrouwen in vertegenwoordigingsbevoegdheid.