ECLI:NL:RBROT:2010:BL9370
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling en beperking erfdienstbaarheid van weg na bouw woning op dienend erf
De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil tussen eigenaren van aangrenzende percelen over de uitoefening van een erfdienstbaarheid van weg. De erfdienstbaarheid was in 1972 gevestigd en gaf beide partijen het recht om de in- en uitrit tussen hun panden te gebruiken voor autoverkeer. Na de bouw van een woning op het perceel van de gedaagde, dat het dienende erf betreft, ontstond discussie over de omvang en wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid.
Eisers stelden dat de oorspronkelijke situatie, waarbij zij ruime manoeuvres konden maken, gehandhaafd moest blijven en dat de bouw de uitoefening van de erfdienstbaarheid onrechtmatig beperkte. Gedaagde betwistte dit en voerde aan dat de erfdienstbaarheid slechts het berijden van de in- en uitrit omvatte, zonder speciale manoeuvres, en dat de huidige verkeerssituatie geen belang bij een ruime uitoefening rechtvaardigt.
De rechtbank stelde vast dat de inhoud van de erfdienstbaarheid primair door de akte van vestiging wordt bepaald, en bij gebrek aan afspraken door de wijze van uitoefening. De feitelijke uitoefening door eisers, inclusief keren en draaien, is beslissend. De rechtbank oordeelde dat de uitoefening moet geschieden op de minst belastende wijze voor het dienende erf. Het primair gevorderde herstel van de oorspronkelijke situatie zou leiden tot afbraak van een deel van de woning van gedaagde en is daarom niet het minst bezwarend.
De subsidiaire vordering om een deel van de schutting te verwijderen werd eveneens afgewezen omdat de gewenste manoeuvres nog mogelijk zijn op het vrijgehouden gedeelte. De rechtbank wees ook de vordering tot opheffing van de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van eisers af, maar oordeelde dat de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van eisers als dienend erf moet worden opgeheven. De kosten van de procedure werden verdeeld tussen partijen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de primaire en subsidiaire vorderingen van eisers af en verklaart de erfdienstbaarheid ten laste van het perceel van eisers als dienend erf opgeheven.