ECLI:NL:RBROT:2010:BL6504
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking en weigering Drank- en Horecawetvergunning wegens handel in verdovende middelen
De zaak betreft een verzoek om voorlopige voorziening tegen het besluit van de deelgemeente Feijenoord om de Drank- en Horecawetvergunning van een horecagelegenheid in te trekken en een weigering voor de komende drie jaar uit te spreken. Dit besluit volgde op een eerdere sluiting van zes maanden vanwege aanwijzingen van handel in verdovende middelen.
De voorzieningenrechter oordeelt dat op basis van politierapportages en processen-verbaal voldoende aannemelijk is dat in de inrichting verdovende middelen zijn verhandeld, ondanks betwisting door de verzoeker over de betrouwbaarheid van verklaringen. De intrekking is gerechtvaardigd op grond van artikel 31, eerste lid, onder d, van de Drank- en Horecawet, omdat het voortbestaan van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, veiligheid en zedelijkheid.
Hoewel de verzoeker bezwaar maakte tegen de duur van de weigeringstermijn van drie jaar, acht de voorzieningenrechter het niet aannemelijk dat dit besluit geschorst moet worden. De rechtbank benadrukt dat het besluit van de burgemeester tot sluiting op grond van de Opiumwet en het besluit tot intrekking van de vergunning op grond van de Drank- en Horecawet verschillende wettelijke grondslagen en belangen betreffen, waardoor cumulatie van sancties niet onrechtmatig is.
Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen en de intrekking en weigering van de vergunning blijven van kracht.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking en weigering van de Drank- en Horecawetvergunning wordt afgewezen.