ECLI:NL:RBROT:2010:BL4449
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over vorderingen en pandrechten tussen curator en voormalig bestuurders van gefailleerde vennootschap
Deze zaak betreft een civiel geschil tussen de curator van het faillissement van Polydesign B.V. en de voormalige bestuurders en aandeelhouders, waaronder HCB, Inprocon en een natuurlijke persoon. De kern van het geschil draait om de vraag of bepaalde vorderingen op Polydesign B.V. bestaan, met name uit hoofde van een licentieovereenkomst, en of deze vorderingen door pandrechten zijn gesecureerd.
De curator betwist het bestaan en de rechtsgeldigheid van de licentieovereenkomst, onder meer omdat deze pas in 2006 is geregistreerd terwijl de vermeende overeenkomst dateert uit 2004, een periode waarin HCB bestuurder was. Daarnaast voert de curator aan dat HCB een tegenstrijdig belang had bij het aangaan van de overeenkomst en dat de verplichtingen niet in de jaarrekeningen zijn opgenomen. De curator stelt dat de vorderingen van HCB en de andere gedaagden niet bewezen zijn en dat de pandrechten niet rechtsgeldig zijn gevestigd.
De gedaagden betwisten dit en stellen dat de licentieovereenkomst wel rechtsgeldig tot stand is gekomen in 2004 en dat de pandrechten geldig zijn. Zij vorderen betaling van aanzienlijke bedragen en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van de curator. De rechtbank constateert dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de exacte vorderingen en de grondslagen daarvan en stelt dat de gedaagden eerst tegenbewijs moeten leveren over het bestaan van de licentieovereenkomst en hun vorderingen.
De rechtbank wijst erop dat de bewijslevering zal plaatsvinden door het horen van getuigen en dat nadere stukken en toelichtingen door partijen moeten worden ingediend. De beslissing over de rechtsgeldigheid van de pandrechten en de overige vorderingen wordt aangehouden totdat dit bewijs is geleverd.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en stelt partijen in de gelegenheid bewijs te leveren over het bestaan van de licentieovereenkomst en de vorderingen.