ECLI:NL:RBROT:2010:BL1511
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. J. van Die
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot verlenging huurovereenkomst manege afgewezen wegens toepasselijkheid artikel 7:290 BW
Deze zaak betreft een verzoek tot verlenging van een huurovereenkomst voor een manege, welke door de verhuurder is opgezegd. Verzoekster vroeg primair een verklaring dat de overeenkomst valt onder artikel 7:290 BW Pro en subsidiair verlenging van de ontruimingstermijn op grond van artikel 7:230A BW.
De kantonrechter oordeelde dat het verzoek tot verklaring van recht en het verzoek tot verlenging innerlijk tegenstrijdig zijn en dat verzoekster niet ontvankelijk is in het eerste verzoek. Vervolgens werd vastgesteld dat de huurovereenkomst schriftelijk is aangegaan, met toepassing van de algemene bepalingen voor bedrijfsruimte conform artikel 7:290 BW Pro. De overeenkomst voorziet in verlenging met periodes van vijf jaar en een opzegtermijn van een jaar, conform artikel 7:290 BW Pro.
De verhuurder stelde dat het verzoek te vroeg was ingediend, maar de kantonrechter oordeelde dat dit geen procesbelang schaadt. Ook werd geoordeeld dat de manege als bedrijfsruimte valt onder artikel 7:290 BW Pro en niet onder het beschermde huurregime van artikel 7:230A BW. Daarom is verzoekster niet ontvankelijk in haar verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn. De kosten van de procedure worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot verlenging van de huurovereenkomst en ontruimingstermijn.