ECLI:NL:RBROT:2009:BJ8962
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens verjaring in zaak beroepsaansprakelijkheid advocaat
Eiseres en haar ex-echtgenoot sloten een geldleningsovereenkomst met RVS Financiële Diensten waarbij zij hoofdelijk aansprakelijk waren. Tijdens de echtscheiding werd in een convenant bepaald dat de ex-echtgenoot de kredietverplichtingen zou dragen en eiseres zou vrijwaren, met een gedeeltelijke aflossing door eiseres uit de overwaarde van de woning.
De ex-echtgenoot kwam zijn verplichtingen niet na, waardoor RVS eiseres aansprakelijk stelde en loonbeslag legde. Eiseres stelde de advocaat die het echtscheidingsconvenant opstelde aansprakelijk wegens tekortschieten in de nakoming van zijn opdracht, omdat niet duidelijk was geregeld dat zij na aflossing van een deel van de schuld zou worden ontslagen van hoofdelijke aansprakelijkheid.
De advocaat voerde verjaring aan. De rechtbank oordeelde dat de verjaringstermijn van vijf jaar was aangevangen in januari 2002 toen eiseres kennis kreeg van de achterstanden en aansprakelijkheid. Omdat zij pas in 2007 de advocaat aansprakelijk stelde, was de vordering verjaard. Het beroep op het arrest van de Hoge Raad uit 1998 faalde omdat eiseres niet had toegelicht waarom zij niet eerder de advocaat aansprakelijk kon stellen.
De rechtbank wees de vordering af en veroordeelde eiseres in de proceskosten. Hiermee werd bevestigd dat de vordering tot schadevergoeding wegens beroepsaansprakelijkheid van de advocaat niet ontvankelijk was wegens verjaring.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van eiseres af wegens verjaring.