ECLI:NL:RBROT:2009:BJ8456
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. van Lokven van der Meer
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van de boedeltoebehoren bij faillissement van echtgenoten zonder huwelijksgemeenschap
De rechtbank Rotterdam behandelde een geschil over de vraag of de echtelijke woning en niet verrekende overgespaarde inkomsten van een echtpaar, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden zonder gemeenschap van goederen, onder de faillissementsboedel van de gefailleerde echtgenoot vallen.
De echtelijke woning stond op naam van de echtgenote en was gefinancierd met een hypothecaire geldlening die op naam van beide echtgenoten stond. De curator stelde dat de woning deel uitmaakt van de faillissementsboedel omdat de echtgenote niet kon aantonen dat zij de woning met eigen middelen had gefinancierd. De rechtbank oordeelde dat dit bewijs niet was geleverd en verwierp het verweer van de echtgenote.
Ten aanzien van de niet verrekende overgespaarde inkomsten stelde de curator dat deze, vanwege het ontbreken van verrekening conform de huwelijksvoorwaarden, ook in de boedel vallen. De rechtbank bevestigde dat bij het ontbreken van een huwelijksgemeenschap en het niet naleven van het verrekenbeding, deze inkomsten niet buiten de boedel vallen.
De rechtbank veroordeelde de echtgenote tot betaling van een bedrag van € 2.942,26 aan de curator, vermeerderd met wettelijke rente, en wees haar kostenveroordeling toe. Het verzoek tot verdeling van de gemeenschap werd afgewezen omdat partijen geen gemeenschap van goederen hadden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart de woning onderdeel van de faillissementsboedel en veroordeelt de echtgenote tot betaling van € 2.942,26 plus rente aan de curator.