ECLI:NL:RBROT:2009:BJ6499
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Damsteegt
- Rechtspraak.nl
Onbillijkheid heffing toezichtskosten na vroegtijdige intrekking vergunningaanvraag door AFM
Eiser diende een vergunningaanvraag in bij de AFM, die vrijwel direct werd benaderd met het verzoek de aanvraag in te trekken omdat deze kansloos zou zijn. Eiser volgde dit verzoek op, waardoor de aanvraag in een zeer pril stadium bleef steken en slechts summier werd beoordeeld door de AFM.
De AFM bracht een heffing in rekening van €900,-, later herzien tot €847,-. Eiser maakte bezwaar tegen deze kosten en stelde dat de hoogte van het tarief onredelijk was gezien de geringe inspanning van de AFM. De rechtbank oordeelde dat de verschuldigdheid van de heffing niet afhankelijk is van de wijze van afdoening van de aanvraag, maar dat onder de gegeven omstandigheden het in rekening brengen van het volledige tarief een onbillijkheid van overwegende aard oplevert.
De rechtbank vernietigde het herzien besluit van de AFM en stelde het verschuldigde bedrag vast op de helft van het oorspronkelijke tarief, €423,50, rekening houdend met de gemaakte kosten door de AFM en de voordelen voor eiser door de snelle intrekking. Het beroep tegen het eerste besluit werd niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen belang meer had bij vernietiging.
De rechtbank wees het verzoek tot proceskostenveroordeling af en bepaalde dat de AFM het betaalde griffierecht aan eiser vergoedt. De uitspraak trad in de plaats van het vernietigde besluit en kan in hoger beroep worden aangevochten bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: De rechtbank matigde de heffing van €847,- naar €423,50 wegens onbillijkheid na vroege intrekking van de vergunningaanvraag door de AFM.