ECLI:NL:RBROT:2009:BJ3088
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.C.W.M. Dekkers
- Rechtspraak.nl
Geschil over opzegging huurovereenkomst onbebouwde grond en status bedrijfsruimte
De gemeente Rotterdam had sinds 1981 een huurovereenkomst met de vader van gedaagde over een perceel onbebouwde grond, bestemd voor parkeerterrein en bedrijfsopstallen. Na het overlijden van de vader in 2008 ontstond een geschil over de voortzetting en opzegging van deze huurovereenkomst.
Gedaagde stelde dat het gehuurde bedrijfsruimte was in de zin van artikel 7:290 BW Pro, waardoor bijzondere bescherming tegen opzegging zou gelden. De rechtbank oordeelde echter dat het hier onbebouwde grond betreft waarop weliswaar opstallen zijn gebouwd, maar dat de huurovereenkomst niet is aangepast om ook deze bebouwing te omvatten. Hierdoor is artikel 7:290 BW Pro niet van toepassing.
Verder was onduidelijk of alle erfgenamen in de procedure betrokken moesten worden. De dagvaarding was niet aan alle erfgenamen correct betekend, waardoor alleen gedaagde rechtsgeldig was gedagvaard. De rechtbank stelde dat nadere bewijslevering nodig is omtrent de afwikkeling van de nalatenschap en de toedeling van rechten en verplichtingen.
De gemeente had de huurovereenkomst opgezegd met inachtneming van de opzegtermijn, maar gedaagde vorderde een nieuwe huurovereenkomst op een andere locatie en een tegemoetkoming in verhuis- en inrichtingskosten. De rechtbank hield verdere beslissing aan en gelastte partijen tot het verstrekken van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling.
De uitspraak bevestigt dat de huurovereenkomst kan worden opgezegd omdat het geen 290-bedrijfsruimte betreft, maar laat de procedure voortduren voor nadere bewijslevering en mogelijke schikking.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat het gehuurde onbebouwde grond betreft en houdt de beslissing aan voor nadere bewijslevering en regeling.