ECLI:NL:RBROT:2009:BJ2552
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling planschadevergoeding op grond van artikel 49 WRO bij exploitatieovereenkomst
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de toekenning van een planschadevergoeding op grond van artikel 49 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) centraal. Het geschil betreft de wijze waarop het bestemmingsplan maximaal ingevuld kan worden en de vraag of er sprake is van een planologisch nadeliger situatie voor de eigenaar van het aangrenzende perceel. De SAOZ heeft als deskundige een advies uitgebracht waarin sprake is van een gering planologisch nadeel, hetgeen niet is weerlegd door een deskundig tegenadvies van eiseres.
Eiseres betoogde dat de SAOZ onjuiste planologische vergelijkingen maakte en onvoldoende inging op haar argumenten, en dat het besluit precedentwerking zou hebben. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling van planschadevergoeding een geobjectiveerde vergelijking vereist tussen het oude en nieuwe planologische regime, waarbij alleen ruimtelijke gevolgen relevant zijn. De SAOZ heeft het bestemmingsplan maximaal ingevuld uitgelegd als aaneengebouwde woningen van 14,3 meter diep, en dit oordeel is door de rechtbank aanvaard.
De rechtbank stelde vast dat de door eiseres ingebrachte risicoanalyse niet als deskundig tegenadvies kan gelden en dat de SAOZ adequaat heeft gereageerd op de bezwaren. Ook is geen sprake van ongewenste precedentwerking omdat elke situatie op eigen merites wordt beoordeeld. Gelet op deze overwegingen verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot toekenning van planschadevergoeding wordt ongegrond verklaard.