ECLI:NL:RBROT:2009:BI7363
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank Rotterdam bij geschillen over onderaannemingsovereenkomsten met arbitrageclausule
In deze zaak tussen Petron Emirates Contracting & Manufacturing Co. L.L.C. en NEM B.V. gaat het om de bevoegdheid van de rechtbank Rotterdam om kennis te nemen van vorderingen die voortvloeien uit twee verschillende onderaannemingsovereenkomsten, het Montagecontract en het Fabricagecontract, beide gesloten tussen dezelfde partijen.
De rechtbank oordeelt dat het Montagecontract onder Frans recht valt en een duidelijke jurisdictieclausule bevat die de rechtbank Rotterdam bevoegd verklaart. Deze clausule prevaleert boven een arbitraal beding in de algemene voorwaarden van NEM. Voor het Fabricagecontract geldt echter dat de algemene voorwaarden van NEM met een arbitragebeding volgens het NAI-reglement van toepassing zijn, en dat de rechtbank zich daarom onbevoegd verklaart voor geschillen die onder dit contract vallen.
Omdat partijen geen overeenstemming bereikten over de te volgen procedure, moeten de geschillen over het Montagecontract door de rechtbank worden behandeld en die over het Fabricagecontract door arbitrage. De rechtbank compenseert de proceskosten omdat beide partijen deels in het gelijk worden gesteld. De zaak wordt voor het deel dat onder het Montagecontract valt verwezen naar een rolzitting voor verdere procedure.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd voor vorderingen onder het Fabricagecontract en bevoegd voor het Montagecontract, waardoor beide procedures naast elkaar moeten worden gevoerd.