ECLI:NL:RBROT:2009:BI2771
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geldigheid en overtreding non-concurrentiebeding in participatieovereenkomst na faillissement
In deze zaak staat centraal of de directeur, [gedaagde], het non-concurrentiebeding uit de participatieovereenkomst met MIO, een private equity fonds, heeft overtreden en of MIO na het faillissement van de onderneming nog belang heeft bij de naleving van dit beding.
De rechtbank stelt vast dat het non-concurrentiebeding niet in strijd is met de Mededingingswet en geldig is tot de verkoop van de activa en goodwill van FG op 21 september 2006. Na deze datum heeft MIO geen voldoende belang meer bij nakoming van het beding. De gestelde overtreding op 30 augustus 2006 is onvoldoende onderbouwd en wordt niet bewezen. Voor de overtredingen begin september 2006 wordt MIO toegelaten tot bewijslevering.
Daarnaast wijst de rechtbank de vorderingen van [gedaagde] tot betaling van managementvergoeding af, omdat onvoldoende is onderbouwd dat MIO tekort is geschoten. Ook de vordering tot ontbinding van de participatieovereenkomst wordt afgewezen. De rechtbank bepaalt dat getuigen zullen worden gehoord over de mogelijke overtreding begin september 2006 en houdt verdere beslissingen in reconventie aan.
Uitkomst: MIO heeft belang bij nakoming non-concurrentiebeding tot verkoop activa; bewijslevering toegestaan voor overtredingen begin september 2006; overige vorderingen afgewezen of aangehouden.