ECLI:NL:RBROT:2009:BI1698
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging retentierecht op schip na verlies feitelijke macht door Shipyard
Shipyard en ING zijn betrokken bij een geschil over het retentierecht op het schip 'Bornrif'. Shipyard bouwde het schip in opdracht van [X], die het schip in november 2007 zonder toestemming van Shipyard wegvoerde en in eigen beheer afbouwde. Shipyard stelde dat zij een retentierecht had op het schip vanwege openstaande vorderingen uit hoofde van de bouwovereenkomst.
ING had executoriaal beslag gelegd op het schip vanwege niet-nakoming van betalingsverplichtingen door [X] en was voornemens het schip te verkopen. Shipyard vorderde in kort geding dat ING het retentierecht zou respecteren en dat de executoriale verkoop zou worden opgeschort. ING verzocht Shipyard te verbieden mededelingen te doen over het retentierecht en het beslag tot afgifte op te heffen.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het retentierecht ex artikel 3:290 BW Pro vereist dat de retentor feitelijke macht over de zaak uitoefent. Nadat [X] het schip had weggetrokken, oefende Shipyard geen feitelijke macht meer uit. Hierdoor is het retentierecht op grond van artikel 3:294 BW Pro beëindigd. Shipyard had nagelaten het schip terug te vorderen via andere rechtsmiddelen. Het conservatoir beslag van Shipyard strekte niet tot afgifte en er was geen sprake van een herleving van het retentierecht.
De vorderingen van Shipyard werden afgewezen, evenals de vorderingen van ING in reconventie. De proceskosten werden gecompenseerd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Het retentierecht van Shipyard op het schip is beëindigd en de vorderingen van Shipyard en ING worden afgewezen.