ECLI:NL:RBROT:2009:BI1676
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzet tegen intrekking overblijvende aansprakelijkheid volgens artikel 2:404 BW
De rechtbank Rotterdam behandelde het gezamenlijke verzet van meerdere schuldeisers tegen het voornemen van verweerder om de overblijvende aansprakelijkheid voor schulden van een vennootschap te beëindigen. Verweerder had eerder een 403-verklaring afgegeven, waarmee zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelde voor schulden van de vennootschap, maar deze verklaring later ingetrokken. De verzoekers vorderen zekerheidstelling voor hun openstaande vorderingen, die voortvloeien uit rechtshandelingen van de vennootschap.
De rechtbank stelt vast dat de intrekking van de 403-verklaring geen effect heeft op de aansprakelijkheid voor schulden die onder de verklaring vielen voordat deze werd ingetrokken, de zogenaamde overblijvende aansprakelijkheid. Verweerder voerde aan dat verzoekers geen beroep konden doen op de verklaring vanwege beëindiging van de groepsband en bekendheid daarmee, maar de rechtbank verwerpt dit verweer.
De rechtbank beoordeelt per verzoeker de vorderingen en concludeert dat deze vorderingen onder de overblijvende aansprakelijkheid vallen, tenzij zij betrekking hebben op perioden na beëindiging van contracten of na de intrekking van de verklaring. Verweerder wordt veroordeeld om uiterlijk 8 mei 2009 zekerheid te stellen in de vorm van bankgaranties voor de verschillende vorderingen, bij gebreke waarvan het verzet gegrond wordt verklaard. Tevens wordt verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Verweerder wordt veroordeeld zekerheid te stellen voor betaling van de vorderingen van verzoekers, bij gebreke waarvan het verzet gegrond wordt verklaard.