ECLI:NL:RBROT:2009:BI0620
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Mandeligheid en kwalitatief recht bij bouwbeperking en schadevergoeding na verbouwing
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of tussen partijen een mandeligheid op de scheidingsmuur tussen twee panden was gevestigd en of een bouwbeperking als kwalitatief recht overging op opvolgende eigenaren. De rechtbank stelde vast dat partijen in 1993 een mandeligheid hadden gevestigd op de muur, waarbij de muur als gemeenschappelijk eigendom werd bestempeld en dit was vastgelegd in een notariële akte die in de openbare registers was ingeschreven.
Daarnaast oordeelde de rechtbank dat de bouwbeperking, die onder meer een recht op vrij uitzicht en schadevergoeding bij verbouwing omvat, een kwalitatief recht is dat verband houdt met het eigendom van het aan eiser toebehorende pand. Dit recht gaat over op de opvolgers van eiser op grond van artikel 6:251 BW Pro, ongeacht de vervreemding van het pand door gedaagde.
Gedaagde had het pand inmiddels aan zijn zoon verkocht, maar blijft persoonlijk aansprakelijk voor de schade die ontstaat bij niet-naleving van de bouwbeperking. De rechtbank wees de vordering tot vergoeding van kosten voor juridische bijstand en taxatie af, omdat de Algemene wet bestuursrecht voorziet in een exclusieve regeling voor vergoeding van kosten in bezwaarprocedures tegen bouwvergunningen.
Tot slot werd gedaagde veroordeeld in de proceskosten, terwijl eiseres in het incident werd veroordeeld in haar proceskosten. De rechtbank verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor het deel van de proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt mandeligheid en aansprakelijkheid van gedaagde voor schade bij niet-naleving bouwbeperking, ongeacht vervreemding.