ECLI:NL:RBROT:2009:BH4675
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid Erasmus MC voor vertraagde oogheelkundige controle bij ROP-behandeling minderjarige
In deze civiele zaak staat de vraag centraal of Erasmus MC aansprakelijk is voor de schade die een minderjarige heeft geleden door een vermeende te late oogheelkundige controle en behandeling van retinopathie van de prematuur (ROP). De rechtbank baseert zich op een deskundigenrapport waarin wordt geconcludeerd dat de artsen zorgvuldig hebben gehandeld, behalve mogelijk ten aanzien van de timing van de tweede oogcontrole. De deskundigen merken op dat een eerdere controle mogelijk een beter resultaat had kunnen opleveren, maar exacte kanspercentages ontbreken.
De kern van het geschil betreft de vraag of op 9 juli 1996 sprake was van ROP stadium 3, waarbij behandeling noodzakelijk was, of nog stadium 2, waarbij behandeling niet direct aan de orde was. De rechtbank stelt vast dat het bewijs hierover onduidelijk is en dat [eisers] voorshands aannemelijk hebben gemaakt dat sprake was van stadium 3B, mede op basis van medische verslagen. Erasmus MC betwist dit en voert aan dat er geen causaal verband is tussen de vermeende vertraging en de schade.
De rechtbank besluit dat nadere bewijslevering en mogelijk aanvullend deskundigenonderzoek noodzakelijk zijn om vast te stellen of de ROP zich op 9 juli 1996 in stadium 3 bevond en of een eerdere behandeling een beter resultaat had kunnen opleveren. De rechtbank gelast een comparitie van partijen om de mogelijkheden voor een minnelijke regeling te onderzoeken en het verdere bewijsproces te bespreken. De beslissing wordt aangehouden tot nadere orde.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en gelast een comparitie om nadere bewijslevering en een minnelijke regeling te bespreken.