ECLI:NL:RBROT:2009:BH1975
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- A.J.P. van Essen
- N. Doorduijn
- F. Waardenburg
- Rechtspraak.nl
Effectenbevoorschotting en geschil over grace-periode en zorgplicht bank
De zaak betreft een geschil tussen meerdere vennootschappen en natuurlijke personen (gedaagden) en Fortis Bank (gedaagde) over effectenbevoorschotting en de vraag of Fortis een uitstel van vijf jaar (grace-periode) heeft toegezegd om dekkingstekorten in effectenportefeuilles te herstellen.
De vennootschappen hadden effectenkredieten bij Fortis, waarbij de kredietverstrekking gebaseerd was op de bevoorschottingswaarde van de effectenportefeuilles. Door waardedaling ontstonden dekkingstekorten, waarna Fortis in 2003 overging tot liquidatie van de portefeuille van een van de gedupeerden. De gedupeerden stellen dat een grace-periode was afgesproken en dat Fortis onrechtmatig handelde door voortijdig te liquideren, met schadevergoeding als gevolg.
De rechtbank heeft getuigenverklaringen afgewogen, waarbij verklaringen van de gedupeerden werden tegengesproken door die van Fortis-medewerkers. Er is onvoldoende bewijs voor het bestaan van een grace-periode, maar partijen worden toegelaten tot nader bewijs. Daarnaast is de subsidiaire vordering over schending van de advies- en zorgplicht van de bank afgewezen omdat onvoldoende concrete feiten zijn aangevoerd die een tekortkoming aantonen.
De rechtbank oordeelt verder dat bepalingen uit de NR 1999 niet van toepassing zijn op effectenbevoorschotting met aandelen als onderpand en dat Fortis niet verplicht was tot liquidatie tegen de wens van de cliënt in. De procedure wordt aangehouden voor nader bewijs over de grace-periode en verdere beslissingen worden uitgesteld.
Uitkomst: De rechtbank laat partijen toe tot nader bewijs over het bestaan van een grace-periode en houdt de beslissing aan.