ECLI:NL:RBROT:2008:BH1978
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- R.J.A.M. Cooijmans
- J.F. Koekebakker
- F. van der Wind
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering Rotterdam wegens onvoldoende onrechtmatigheid lozingen kalimijnen in rivier
De zaak betreft een geschil tussen de gemeente Rotterdam en Mines de Potasse d’Alsace S.A. (MDPA) over de lozingen van kalimijnen in de Rijn en de daaruit voortvloeiende baggerkosten in de Rotterdamse havens. Rotterdam stelt dat de lozingen van MDPA sinds 1961 hebben geleid tot aanzienlijke extra baggerkosten, begroot op ruim 4,6 miljoen euro, en vordert schadevergoeding.
Een deskundigenrapport concludeerde dat MDPA jaarlijks gemiddeld 27.000 ton droge stof aan slib heeft geloosd die in de Rotterdamse havens is gesedimenteerd. Rotterdam baseert haar vordering op deze hoeveelheid, terwijl MDPA stelt dat haar bijdrage aan het totale baggerbezwaar verwaarloosbaar is (0,6%).
De rechtbank weegt dat Rotterdam als professionele beheerder van een wereldhaven al aanzienlijke baggerwerkzaamheden uitvoert en dat de bijdrage van MDPA minder dan 1% van het totale baggerbezwaar bedraagt. Gezien de aard, ernst en duur van de lozingen en het feit dat MDPA met vergunning heeft geloosd en inmiddels is gestopt, acht de rechtbank het handelen van MDPA niet onrechtmatig. De vorderingen worden daarom afgewezen en Rotterdam wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van Rotterdam af wegens het ontbreken van onrechtmatigheid van de lozingen door MDPA.