ECLI:NL:RBROT:2008:BG6915
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Mul
- Van de Ven
- Van den Enden
- Rechtspraak.nl
Vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit Opiumwetdelicten
De rechtbank Rotterdam behandelde een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De veroordeelde was eerder veroordeeld voor meerdere Opiumwetdelicten en witwassen. Een strafrechtelijk financieel onderzoek werd ingesteld en sloot op 4 april 2008.
De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd uitgevoerd via een uitgebreide kasopstelling, waarbij legale inkomsten, beginsaldo, eindsaldo en uitgaven werden geanalyseerd. De rechtbank verwierp de bezwaren van de verdediging tegen de gehanteerde methode en concludeerde dat het onverklaarbare vermogen van de veroordeelde ruim €700.000 bedroeg.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €705.231,55 en legde de veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de staat te betalen. De redelijke termijn was niet overschreden gezien de complexiteit van het financieel onderzoek en de houding van de veroordeelde.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer op 28 november 2008, waarbij de financiële rapportage en het strafrechtelijk onderzoek als basis dienden voor de ontnemingsvordering.
Uitkomst: De veroordeelde wordt verplicht tot betaling van €705.231,55 aan wederrechtelijk verkregen voordeel aan de staat.