ECLI:NL:RBROT:2008:BG5266
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ontvankelijkheid verzet tegen verstekvonnis bij derdenbeslag en eisen derdenverklaring
In deze civiele zaak gaat het om het verzet van opposante tegen een verstekvonnis dat haar veroordeelde tot betaling op grond van een derdenbeslag gelegd door geopposeerde. Het derdenbeslag betrof alimentatieverplichtingen van een werknemer bij opposante jegens geopposeerde. Opposante had nagelaten een derdenverklaring af te leggen zoals vereist in artikel 476a Rv.
De rechtbank oordeelt dat de verzettermijn pas aanving op het moment dat opposante door een daad van bekendheid met het verstekvonnis of de tenuitvoerlegging daarvan kennis nam, namelijk op 21 november 2007, toen een faxbericht van haar raadsman werd verzonden. De eerdere betekening aan een werknemer van opposante was niet voldoende voor aanvang van de termijn, omdat deze niet aan de bestuurder in persoon was gericht.
Inhoudelijk stelt opposante dat het dienstverband met de werknemer inmiddels is beëindigd, waarmee zij alsnog een derdenverklaring wilde afleggen. De rechtbank stelt echter dat de verklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen, omdat niet blijkt dat opposante ten tijde van het beslag niets verschuldigd was of iets onder zich had. Het verstekvonnis wordt daarom bevestigd en opposante wordt veroordeeld in de kosten van het verzet.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt het verstekvonnis en veroordeelt opposante in de kosten van het verzet.