ECLI:NL:RBROT:2008:BG1207
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter inzake herverzekeringsovereenkomst en subsidiaire vordering
In deze civiele procedure staat centraal de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een subsidiaire vordering van IF tegen AIG, voortvloeiend uit een herverzekeringsovereenkomst. IF vordert primair dat niet zij, maar Hampden als herverzekeraar wordt aangemerkt, en subsidiair dat zij schade kan verrekenen met AIG.
AIG heeft incidenteel verzocht de Nederlandse rechter zich onbevoegd te verklaren ten aanzien van de subsidiaire vordering, omdat volgens haar artikel 6 lid 1 EEX Pro-Vo niet van toepassing is. De rechtbank oordeelt dat tussen de primaire en subsidiaire vordering geen zodanige nauwe samenhang bestaat die gelijktijdige berechting vereist, waardoor de Nederlandse rechter geen rechtsmacht toekomt.
De rechtbank benadrukt dat voor de beoordeling van de bevoegdheid de grondslag van de vordering zoals ingesteld doorslaggevend is, en dat eventuele verweren tegen een tegenvordering buiten beschouwing blijven. De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd ten aanzien van de subsidiaire vordering en veroordeelt IF in de proceskosten van dit incident. De hoofdzaak wordt verwezen naar een latere rolzitting.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de subsidiaire vordering en veroordeelt IF in de proceskosten.