ECLI:NL:RBROT:2008:BD8265
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vonnis over boeteoplegging wegens kartelvorming in de GWW-sector en toepassing versnelde procedure
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak over een boete opgelegd wegens overtreding van artikel 6 van Pro de Mededingingswet en artikel 81 van Pro het EG-Verdrag in de GWW-sector. De boete was opgelegd aan L. Timmer Lelystad B.V. en Houdstermaatschappij A. Smeenge B.V. vanwege deelname aan een systeem van vooroverleg bij aanbestedingen van GWW-werken van 1998 tot 2001.
De zaak betrof de zogenaamde schoon-schip-operatie waarbij 481 bouwbedrijven zich meldden, waarvan 379 als clementieverzoeken werden aangemerkt. De boetegrondslag was de aanbestedingsomzet van 2001, met een boetepercentage van 10%. De eiseres had deelgenomen aan de versnelde procedure, waardoor zij afstand deed van het betwisten van feiten en juridische beoordeling, in ruil voor een boetevermindering van 15%.
Eiseres voerde onder meer aan dat de voorwaarden van de versnelde procedure eenzijdig waren gewijzigd, dat zij benadeeld werd doordat zij geen clementieverzoek had ingediend, dat de boetegrondslag onredelijk was en dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met haar financiële situatie. De rechtbank oordeelde dat de versnelde procedure vrijwillig was en geen schending van verdedigingsrechten inhield. De boetegrondslag en het boetepercentage waren niet onredelijk, maar het ontbreken van motivering over de ijkjaarcorrectie maakte het besluit vernietigbaar. De rechtbank handhaafde echter de rechtsgevolgen van het besluit en veroordeelde verweerder in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.