ECLI:NL:RBROT:2008:BD2787
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weerlegging vermoeden onbehoorlijk bestuur bij faillissement wegens marktomstandigheden en vaste lasten
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin de curator stelde dat het faillissement van een besloten vennootschap het gevolg was van onbehoorlijk bestuur door de bestuurder. De bestuurder voerde tegenbewijs aan op grond van artikel 2:248 lid 2 BW Pro door aan te tonen dat andere oorzaken, zoals een krimpende markt en hoge vaste lasten, het faillissement mede veroorzaakten.
Getuigenverklaringen van betrokkenen uit de branche, waaronder een voormalig directeur van een concurrent en een directeur van een ander bedrijf in dezelfde sector, bevestigden een aanzienlijke omzetdaling tussen 2002 en 2004. Deze daling werd veroorzaakt door saneringen in de branche, bezuinigingen bij grote afnemers zoals ziekenhuizen en gevangenissen, en een verslechterde horecamarkt. Tegelijkertijd bleven de vaste lasten, zoals personeelskosten en huur, hoog.
De curator voerde aan dat de getuigenverklaringen onvoldoende geverifieerd konden worden, maar de rechtbank oordeelde dat getuigenverklaringen als zelfstandig bewijsmiddel gelden en dat de getuigen deskundig waren. De curator stelde ook dat uitgestelde investeringen tot hogere reparatie-omzet hadden kunnen leiden, maar dit werd onvoldoende onderbouwd.
De rechtbank concludeerde dat de bestuurder het vermoeden van onbehoorlijk bestuur heeft weerlegd door aannemelijk te maken dat andere feiten en omstandigheden een belangrijke oorzaak van het faillissement vormden. De zaak werd verwezen naar een volgende rolzitting voor nadere conclusies, waarbij de curator de mogelijkheid krijgt om aan te tonen dat onbehoorlijk bestuur mede een oorzaak was.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de bestuurder het vermoeden van onbehoorlijk bestuur heeft weerlegd door aannemelijk te maken dat marktomstandigheden en vaste lasten belangrijke oorzaken van het faillissement zijn.