ECLI:NL:RBROT:2008:BC6668
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheidsincident over toepasselijkheid arbitraal beding en contractspartij bij overeenkomst
In deze civiele procedure stond een bevoegdheidsincident centraal over de vraag welke partij contractspartij was bij een mondelinge overeenkomst en de toepasselijkheid van het arbitraal beding ALIB ’92. Gedaagde stelde dat de overeenkomst uitsluitend met KTB was gesloten en dat Deelnemingen geen beroep kon doen op vernietiging van de algemene voorwaarden vanwege haar status als grote wederpartij. Eiseressen betoogden dat ook Deelnemingen partij was en dat het beroep op het arbitraal beding te laat en onredelijk was.
De rechtbank oordeelde dat de stellingen van eiseressen onvoldoende waren om aan te nemen dat het arbitraal beding onaanvaardbaar was. De correspondentie en facturatie wezen uit dat gedaagde alleen met KTB zaken deed. Eiseressen hadden nagelaten duidelijk te maken dat Deelnemingen de contractspartij zou zijn, waardoor de overeenkomst geacht werd tussen gedaagde en KTB te zijn gesloten.
Hierdoor kon Deelnemingen geen beroep doen op vernietiging van de algemene voorwaarden en was de rechtbank onbevoegd om kennis te nemen van de vordering. Eiseressen werden veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door mr. C. Bouwman op 13 februari 2008.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de vordering en veroordeelt eiseressen in de proceskosten.