ECLI:NL:RBROT:2007:BB7419
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. de Loor-Alwin
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incidentele vordering tot proceskostenzekerheid wegens voldoende verhaalsmogelijkheid op Benelux-merkrechten
In deze civiele procedure heeft de rechtbank Rotterdam op 3 oktober 2007 uitspraak gedaan over een incidentele vordering tot het stellen van proceskostenzekerheid (cautio iudicatum solvi) door Mevi Internationaal Expeditiebedrijf. De vraag was of deze vordering moest worden afgewezen op grond van artikel 224 lid 2 onder Pro c Rv, dat bepaalt dat geen zekerheid hoeft te worden gesteld indien redelijkerwijs aannemelijk is dat verhaal mogelijk is in Nederland.
Bacardi & Company stelde dat zij houder is van diverse Benelux-merkrechten die een aanzienlijke waarde vertegenwoordigen, hetgeen niet werd betwist. De kern van het geschil was of Mevi aannemelijk had gemaakt dat zij na beslaglegging op deze merkrechten deze niet zou kunnen uitwinnen om een eventuele proceskostenveroordeling te voldoen.
De rechtbank oordeelde dat Mevi onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er geen geïnteresseerden zouden zijn om de merkrechten over te nemen voor een bedrag dat de proceskostenveroordeling zou kunnen dekken. Gezien de relatief beperkte omvang van de proceskostenveroordeling in verhouding tot de waarde van de merkrechten, was sprake van een voldoende verhaalsmogelijkheid.
Daarom wees de rechtbank de incidentele vordering af en reserveerde zij de uitspraak over de proceskosten tot de einduitspraak in de hoofdzaak. De zaak werd verwezen naar de rol van 31 oktober 2007 voor de conclusie van antwoord.
Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot het stellen van proceskostenzekerheid af wegens voldoende verhaalsmogelijkheid op de Benelux-merkrechten van Bacardi.