ECLI:NL:RBROT:2007:BB3483
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vordering bank op erfgenamen na executie hypotheek en verjaring van schuld
De bank verstrekte in 1993 een hypothecaire geldlening van 100.000 gulden aan X en Y, met een recht van hypotheek op een appartementsrecht. In 1997 werd het onderpand geveild na executoriaal beslag van de belastingdienst, waarbij de opbrengst geheel aan de fiscus werd uitgekeerd. Hierdoor werd de restantschuld opeisbaar.
De bank stelde dat de vordering van ruim 51.000 euro nog openstond en stuurde in 2005 een betalingsverzoek aan X en Y. X overleed in juni 2005, Y aanvaardde de nalatenschap zuiver. De bank vorderde betaling van de erfgenamen van X en van Y, die echter betwistte aansprakelijkheid en de geldleningovereenkomst.
De rechtbank oordeelde dat de vordering jegens Y verjaard was omdat geen stuiting van verjaring was aangetoond. Betalingen van X aan de bank werden gezien als erkenning van schuld, waardoor de verjaring jegens zijn erfgenamen was gestuit. De vordering tegen de erfgenamen van X werd daarom toegewezen, terwijl de vordering tegen Y werd afgewezen. Proceskosten werden verdeeld met gedeeltelijke toewijzing.
Uitkomst: De vordering van de bank wordt toegewezen jegens de erfgenamen van X en afgewezen jegens Y wegens verjaring.