ECLI:NL:RBROT:2007:BA6216
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Mentink
- Rechtspraak.nl
Vordering uit onverschuldigde betaling en falen beroep op overmacht bij frauduleuze bankpasgebruik
In deze civiele zaak vordert ABN AMRO betaling van een bedrag van €17.284,- van de gedaagde, voortvloeiend uit onverschuldigde betaling. De gedaagde stelde zich op het standpunt dat sprake was van overmacht omdat zij het slachtoffer was van een professionele groep oplichters die frauduleuze overboekingen hadden verricht met haar bankpas.
De rechtbank heeft het beroep op overmacht getoetst aan artikel 6:75 BW Pro en geoordeeld dat de gedaagde onvoldoende heeft onderbouwd dat zij het slachtoffer was van een misdrijf. De gedaagde had nagelaten tijdig aangifte te doen bij de politie en kon niet aantonen dat er een strafrechtelijk onderzoek was ingesteld. Ook het feit dat zij haar bankpas pas na de frauduleuze transacties had laten blokkeren, weegt tegen haar.
De rechtbank concludeert dat de gedaagde niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen met betrekking tot haar bankpas en pincode. Hierdoor komen de risico's van de frauduleuze transacties voor haar rekening. De vordering van ABN AMRO wordt daarom toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten. De gedaagde wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de gedaagde tot betaling van €17.284,- vermeerderd met wettelijke rente en incassokosten wegens onverschuldigde betaling, en wijst het beroep op overmacht af.