ECLI:NL:RBROT:2007:AZ9179
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Boven
- Reinds
- Koningsveld
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid OM wegens schending verschoningsrecht bij afluisteren advocaat-verdachte gesprek
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd vervolgd voor verschillende feiten, waaronder het bezit van een vuurwapen en munitie. Tijdens het onderzoek werd een telefoongesprek tussen verdachte en zijn raadsvrouw afgeluisterd en gebruikt om verdachte te lokaliseren en aan te houden. Dit gesprek viel onder het verschoningsrecht van artikel 218 Wetboek Pro van Strafvordering, dat vertrouwelijke communicatie met een advocaat beschermt.
De officier van justitie had nagelaten het gesprek te vernietigen of voorafgaande machtiging te vragen voor het gebruik ervan, waardoor ernstige schendingen van het verschoningsrecht ontstonden. De rechtbank oordeelde dat hierdoor de aanhouding onrechtmatig was en dat de opsporingsambtenaren en het OM met grove veronachtzaming van verdachtes belangen hebben gehandeld.
Als gevolg van deze vormverzuimen verklaarde de rechtbank het OM niet-ontvankelijk voor de vervolging van de eerste twee feiten. Voor het derde feit, het bezit van een defect maar gemakkelijk te repareren pistool met munitie, werd verdachte wel schuldig bevonden en veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest en onmiddellijke invrijheidstelling.
De rechtbank benadrukte het belang van het verschoningsrecht en het adequaat toezicht bij inbreuk daarop, verwijzend naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De strafmaat werd mede bepaald door eerdere veroordelingen van verdachte en de ernst van het feit.
Uitkomst: OM niet-ontvankelijk verklaard voor twee feiten wegens schending verschoningsrecht; verdachte veroordeeld tot zes maanden gevangenisstraf voor wapenbezit.