ECLI:NL:RBROT:2006:AZ6473
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Hofmeijer-Rutten
- Rechtspraak.nl
Verzekeringsdekking en aansprakelijkheid bij schade aan kraan onder opzichtclausule
In deze zaak staat de vraag centraal of verzekeraars aansprakelijk zijn voor schade die Oceanwide aan CH4 moet vergoeden op grond van een Master Service Agreement (MSA) en de polisvoorwaarden, waaronder een opzichtclausule.
De rechtbank stelt vast dat Oceanwide aansprakelijk is voor de schade aan de kraan, omdat deze viel onder de omschrijving van materialen en apparatuur die Oceanwide contractueel moest behoeden. Dit volgt uit de bepalingen 5.10 en 12.3 van de MSA. De aansprakelijkheid is niet gebaseerd op een onrechtmatige daad van een medewerker, maar uitsluitend op de contractuele grondslag.
Verzekeraars beriepen zich op een uitsluiting in artikel 21 van Pro de polisvoorwaarden, die schade op grond van aansprakelijkheidsverhogende bedingen uitsluit. De rechtbank oordeelt echter dat specifieke clausules voor Oceanwide in de polis, waaronder clausule VX021-001, prevaleren boven deze standaarduitsluiting. Hierdoor is dekking onder de polis voor de schade aanwezig.
Ten aanzien van de opzichtclausule betwist Oceanwide dat deze van toepassing is, omdat de medewerker geen eigen zeggenschap had. De rechtbank concludeert echter op basis van het Incident Investigation Report dat de medewerker zelfstandig de kraan bediende en feitelijk beschikkingsmacht had, zodat sprake is van opzicht. Desondanks prevaleert de specifieke clausule VX021-001 boven de opzichtclausule, waardoor de uitsluiting niet geldt.
De rechtbank verwijst de zaak naar de rol voor nadere uitlatingen over de omvang van de schade en verwacht dat partijen zullen trachten overeenstemming te bereiken.
Uitkomst: Verzekeraars zijn gehouden de schade die Oceanwide aan CH4 moet vergoeden te dekken, ondanks de opzichtclausule.