ECLI:NL:RBROT:2006:AZ1049
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.F. Lubberink
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering ouderbijdrage wegens ontbreken schriftelijke overeenkomst
In deze zaak stond centraal of een ouder gehouden is tot betaling van een vrijwillige ouderbijdrage aan een school zonder ondertekening van een schriftelijke overeenkomst. De ouder had zijn kind aangemeld en mondeling toegezegd de bijdrage te betalen, maar weigerde de schriftelijke overeenkomst te ondertekenen uit principiële overwegingen.
De school vorderde betaling van achterstallige ouderbijdragen over meerdere schooljaren, inclusief rente en buitengerechtelijke kosten. De ouder verweerde zich met verwijzing naar artikel 40 van Pro de Wet op het Primair Onderwijs, dat vereist dat een betalingsverplichting alleen ontstaat na schriftelijke overeenkomst.
De rechtbank oordeelde dat zonder schriftelijke overeenkomst geen rechtsgeldige betalingsverplichting bestaat. Een mondelinge toezegging leidt niet tot een geldige overeenkomst en kan niet worden afgedwongen. De vordering van de school werd daarom afgewezen en de proceskosten werden aan de school opgelegd.
De uitspraak benadrukt het belang van schriftelijke overeenkomsten voor vrijwillige ouderbijdragen en bevestigt dat mondelinge afspraken niet leiden tot afdwingbare betalingsverplichtingen in het kader van de Wet op het Primair Onderwijs.
Uitkomst: De vordering tot betaling van de ouderbijdrage wordt afgewezen wegens ontbreken van een schriftelijke overeenkomst.