ECLI:NL:RBROT:2006:AY9675
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering over berekeningswijze boeterente hypotheek
In deze zaak stond de vraag centraal welke berekeningswijze van de boeterente bij een gewijzigde hypotheekovereenkomst van toepassing is. Eiser stelde dat de Algemene Voorwaarden voor Hypothecaire Geldleningen van 1950 van toepassing waren, waarbij het renteverschil tussen het oorspronkelijke rentepercentage en de actuele dagrente geldt. ASR betwistte dit en stelde dat de situatie niet onder de AV valt, omdat het ging om een wijziging van de hypotheek met een gunstiger rentetarief en een leningverhoging.
De rechtbank oordeelde dat de situatie van eiser niet onder de AV valt, omdat de nieuwe hypotheek een vernieuwing en uitbreiding betrof en niet een verkoop van de woning met aflossing van de lening. ASR mocht daarom een eigen berekeningswijze hanteren, waarbij het renteverschil tussen het oude en het nieuwe rentepercentage geldt. Omdat eiser de hypotheekakte heeft laten passeren, mocht ASR ervan uitgaan dat hij instemde met deze berekeningswijze.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet kon verwachten dat na het passeren van de akte nog onderhandeld zou worden over de boeterente. De vordering van eiser werd daarom afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten van ASR. De rechtbank handhaafde het eerdere tussenvonnis niet, omdat sprake was van een onjuiste feitelijke grondslag in dat vonnis.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten van ASR.