ECLI:NL:RBROT:2006:AY9188
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L. de Loor-Alwin
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid rechtbank bij plaats van betaling documentair krediet tussen Fortis en ICBC
In deze civiele zaak staat de vraag centraal waar de plaats van betaling van een documentair krediet (letter of credit) ligt tussen Fortis Bank Nederland en Industrial and Commercial Bank of China (ICBC). Fortis stelde dat betaling via een bankrekening in New York moest plaatsvinden, maar de rechtbank oordeelde dat deze eenzijdige aanwijzing niet geldt als een overeengekomen plaats van betaling. Volgens Nederlands recht dient betaling te geschieden in de woonplaats van de schuldeiser, hier Rotterdam.
De rechtbank stelde vast dat de contractuele relatie tussen Fortis en ICBC beheerst wordt door Nederlands recht, omdat Fortis zelfstandig de documenten beoordeelt en niet slechts als doorgeefluik fungeert. De betaling moet daarom in Rotterdam plaatsvinden, tenzij partijen anders overeenkomen, wat hier niet het geval is.
ICBC voerde tevens een beroep op litispendentie aan vanwege een eerdere Chinese procedure waarin de l/c werd aangevochten. De rechtbank concludeerde dat deze procedure op het moment van het bevoegdheidsincident al was beëindigd en het beroep op litispendentie daarom faalt.
De rechtbank verklaarde zich bevoegd kennis te nemen van de vordering van Fortis tegen ICBC en stelde de beslissing over proceskosten uit tot de einduitspraak. De zaak werd verwezen voor verdere behandeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vordering van Fortis tegen ICBC en wijst het beroep op litispendentie af.