ECLI:NL:RBROT:2006:AY7871
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van Zelm van Eldik
- Van de Laarschot
- Heevel
- Rechtspraak.nl
Verjaring en onverschuldigde betaling bij faillissement Groot Hoefijzer
Groot Hoefijzer vordert betaling van een bedrag van NLG 953.480,98 vermeerderd met rente van de Bank, stellende dat de Bank meer heeft ontvangen dan haar toekomt uit de faillissementsvereffening. De Bank betwist dit en voert verjaring aan. De rechtbank stelt vast dat de rekening-courantverhouding tussen partijen in 1989 is geëindigd en dat de vordering uit hoofde van deze verhouding in 1994 was verjaard.
Ten aanzien van de vordering wegens onverschuldigde betaling oordeelt de rechtbank dat de wetenschap van de curator niet gelijkgesteld kan worden aan die van Groot Hoefijzer zelf. De verjaring is gestuit door brieven van Groot Hoefijzer in 1998, waardoor de vordering niet verjaard is bij dagvaarding in 2003. De rechtbank beoordeelt dat de Bank moet aantonen dat zij niet meer heeft ontvangen dan haar toekomt uit de faillissementsvereffening.
De rechtbank staat toe dat de Bank tegenbewijs levert, onder meer door getuigen te horen, over de ontvangst van bedragen uit de verkoop van onroerend goed in België. Het vonnis kan in hoger beroep worden aangevochten zonder af te wachten op een eindvonnis.
Uitkomst: De vordering van Groot Hoefijzer is grotendeels verjaard, maar de Bank mag tegenbewijs leveren over ontvangen bedragen uit de faillissementsvereffening.