ECLI:NL:RBROT:2006:AY6630
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Van der Kaaij
- Van Breevoort – De Bruin
- Van der Ven
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplichtigheid aan handel en voorbereiding van handel in cocaïne en hasjiesj
De rechtbank Rotterdam heeft op 11 augustus 2006 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die werd verdacht van medeplichtigheid aan de handel in cocaïne en hasjiesj. Het onderzoek betrof een gezamenlijk onderzoeksteam (JIT) op basis van internationale samenwerking. De verdachte werd beschuldigd van het faciliteren van de handel door het beschikbaar stellen van een woning, auto en het voeren van telefoongesprekken.
Tijdens de terechtzitting voerde de verdediging aan dat verdachte niets wist van de drugsactiviteiten en dat er sprake was van een verkeerde vriend. De rechtbank oordeelde echter dat de verklaringen, tapgesprekken en andere bewijsmiddelen overtuigend aantonen dat de verdachte wel degelijk op de hoogte was van de voorgenomen transacties.
De rechtbank wees het verweer van de verdediging af, ook de kritiek op het JIT-onderzoek en de vermeende afwezigheid van volledige waarheidsvinding. De strafbaarheid van de verdachte werd vastgesteld op basis van medeplichtigheid aan het medeplegen van verboden handelingen onder de Opiumwet.
Gezien de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte legde de rechtbank een gevangenisstraf van 360 dagen op, waarvan 344 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Tevens werd een werkstraf van 240 uur opgelegd, met vervangende hechtenis van 120 dagen bij niet-nakoming.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 360 dagen gevangenisstraf waarvan 344 dagen voorwaardelijk en een werkstraf van 240 uur.