ECLI:NL:RBROT:2006:AY0088
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in kort gedingprocedure
In deze zaak hebben verzoekers een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die betrokken was bij een kort gedingprocedure tussen besloten vennootschappen en verzoekers. Het verzoek tot wraking volgde op de zitting van 4 mei 2006, waarin de raadsman van verzoekers meermalen door de rechter werd onderbroken en waarbij de rechter twijfels uitte over de ernst van het verweer van verzoekers.
De wrakingskamer heeft het dossier bestudeerd en zowel de schriftelijke als mondelinge toelichtingen van partijen gehoord. Verzoekers stelden dat er sprake was van zowel subjectieve als objectieve vooringenomenheid, mede vanwege eerdere vonnissen tussen partijen en de wijze waarop de rechter tijdens de zitting optrad.
De rechtbank oordeelde dat een rechter uit hoofde van zijn functie onpartijdig wordt vermoed, tenzij uitzonderlijke omstandigheden zwaarwegende aanwijzingen voor vooringenomenheid opleveren. De enkele onderbrekingen en kritische vragen van de rechter, evenals eerdere vonnissen, bieden volgens de rechtbank onvoldoende grond om de onpartijdigheid in twijfel te trekken.
De rechtbank concludeerde dat het wrakingsverzoek ongegrond is en wees het af. Hiermee blijft de rechter bevoegd om de zaak te behandelen zonder dat er sprake is van een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de rechter wordt afgewezen wegens gebrek aan gegronde aanwijzingen voor vooringenomenheid.