ECLI:NL:RBROT:2006:AV1434
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Janssen
- Van de Water
- Asscheman-Versluis
- Rechtspraak.nl
Veroordeling medeplegen opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in woning
De rechtbank Rotterdam heeft op 26 januari 2006 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die ervan werd verdacht gedurende de periode van 6 juni 2004 tot en met 10 augustus 2005 medepleger te zijn geweest van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne in zijn woning. Gedurende deze periode werd door verschillende personen cocaïne gebruikt in zijn woning, waarvan verdachte op de hoogte was en toestemming gaf.
De rechtbank oordeelde dat verdachte zich strafbaar heeft gemaakt door de gebruikers niet de toegang tot zijn woning te ontzeggen en de verdovende middelen niet te verwijderen, waardoor hij medeverantwoordelijk was voor het bezit van de cocaïne. Het bewezen verklaarde feit betreft het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, een middel als bedoeld in lijst I van de Opiumwet.
De straf is bepaald op drie maanden gevangenisstraf, waarbij rekening is gehouden met eerdere veroordelingen van verdachte voor soortgelijke feiten. De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen en bepaalde dat de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht op de straf.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne.