ECLI:NL:RBROT:2005:AU5080
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- P. van Zwieten
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen verlaging WWB-uitkering wegens verblijf in buitenland
Verzoekers kregen drie besluiten van de gemeente Rotterdam waarbij hun WWB-uitkering werd verlaagd met respectievelijk 20%, 40% en 100% wegens langer dan toegestane verblijven in het buitenland in 2001, 2002 en 2004. Verzoekers maakten bezwaar en vroegen de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang ontbrak voor de eerste twee besluiten omdat deze betrekking hadden op reeds verstreken perioden. Voor het derde besluit, dat een volledige verlaging van de uitkering betrof wegens een verblijf van ruim vier maanden in het buitenland zonder toestemming, werd de voorlopige voorziening toegewezen en het besluit geschorst.
De rechtbank stelde dat de maatregel gebaseerd was op artikel 17 WWB Pro, maar dat op het moment van de gedragingen artikel 65 van Pro de Algemene bijstandswet (Abw) van toepassing was. Daarnaast werd geoordeeld dat de opgelegde maatregel zwaarder was dan de boete die volgens het toen geldende Boetebesluit Sociale Zekerheidswetten zou zijn opgelegd, wat in strijd is met artikel 15 van Pro het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Daarom kon het besluit niet in stand blijven.
De rechtbank veroordeelde de gemeente tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekers. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter P. van Zwieten op 19 oktober 2005.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen voor het derde besluit en geschorst, en afgewezen voor de eerste twee besluiten.