ECLI:NL:RBROT:2005:AU4036
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Bogaards
- Mul
- Foy
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens schending recht op vertrouwelijke communicatie met advocaat
De rechtbank Rotterdam oordeelt dat het afluisteren en opnemen van twee telefoongesprekken tussen verdachte en zijn advocaat door opsporingsambtenaren, zonder voorafgaande toestemming van de officier van justitie, een ernstige schending vormt van het recht op vertrouwelijke communicatie met een raadsman. Deze handeling is in strijd met artikel 126aa, tweede lid, en artikel 218 van Pro het Wetboek van Strafvordering, alsmede met artikel 6 lid 3 EVRM Pro.
De gesprekken werden gebruikt om verdachte aan te houden, zonder dat de officier van justitie hiervan op de hoogte was gesteld, en de uitwerking van deze gesprekken werd zonder machtiging toegevoegd aan het procesdossier. Dit is in strijd met de wettelijke voorschriften en de instructies die de bescherming van het verschoningsrecht waarborgen.
De rechtbank stelt vast dat hierdoor het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak ernstig is geschaad, omdat hij niet vrijelijk zijn advocaat kon consulteren en zijn procespositie bepalen. De schending van het vertrouwelijk karakter van de communicatie en de grove veronachtzaming van de belangen van verdachte leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging.
Als gevolg daarvan wordt het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven en wordt verdachte onmiddellijk in vrijheid gesteld.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard en het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.