ECLI:NL:RBROT:2005:AS8317
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Hofmeijer-Rutten
- Van der Ven
- Janssen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onrechtmatige gebiedsontzegging door burgemeester Rotterdam
Verdachte werd ten laste gelegd dat hij opzettelijk niet had voldaan aan een gebiedsontzegging opgelegd door de burgemeester van Rotterdam op grond van artikel 172 lid 3 van Pro de Gemeentewet. Deze gebiedsontzegging verbood hem gedurende 24 weken zich te bevinden in het stadscentrum vanwege overlast.
De rechtbank toetste het bevel aan de wettelijke eisen en concludeerde dat hoewel de burgemeester bevoegd is bevelen te geven ter handhaving van de openbare orde, in dit geval het bevel niet in overeenstemming was met de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. De rechtbank vond dat het gedrag van verdachte ook door een verblijfsontzegging op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) Rotterdam had kunnen worden bestreden, die een maximumduur van 14 dagen kent.
De gebiedsontzegging was bovendien onduidelijk gemotiveerd en de omvang van het gebied en de duur van het verbod waren disproportioneel. De rechtbank stelde dat het bevel niet krachtens wettelijk voorschrift was gegeven en sprak verdachte daarom vrij. Tevens werd opgemerkt dat het dossier onvoldoende was om het bevel adequaat te toetsen.
De uitspraak benadrukt het belang van rechtszekerheid, democratische legitimatie van maatregelen en het respecteren van grondrechten zoals bewegingsvrijheid. De strafrechter kan slechts toetsen aan de rechtmatigheid van het bevel als dit krachtens wettelijk voorschrift is gegeven en zorgvuldig is voorbereid.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat het gebiedsontzeggingsbevel niet krachtens wettelijk voorschrift is gegeven en disproportioneel is.