ECLI:NL:RBROT:2004:AS8327
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Hofmeijer-Rutten
- Oostdam
- Hartmann
- Rechtspraak.nl
Strafrechtelijke en bestuursrechtelijke afdoening van sociale zekerheidsfraude met toepassing una via-beginsel
De rechtbank Rotterdam behandelde een zaak waarin verdachte werd verdacht van sociale zekerheidsfraude en feitelijk leidinggeven aan verboden gedragingen bij meerdere bedrijven. Het OM eiste 18 maanden gevangenisstraf, maar de rechtbank verklaarde het OM niet-ontvankelijk voor enkele feiten op grond van het una via-beginsel, omdat verdachte reeds bestuurlijke sancties had ondergaan.
De feiten betroffen hoofdzakelijk het niet nakomen van premieverplichtingen en het onttrekken van gelden aan pandrechten via G-rekeningen. Diverse getuigen verklaarden dat verdachte feitelijk leiding gaf aan de bedrijven, wat door de rechtbank werd bevestigd. Het verweer dat er geen sprake was van feitelijk leidinggeven en dat er geen pandrecht was, werd verworpen.
De rechtbank oordeelde dat de strafbaarheid van de feiten en verdachte vaststond. Gelet op de ernst, de duur van de fraude, de rol van verdachte en persoonlijke omstandigheden, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 9 maanden op, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De overschrijding van de redelijke termijn werd meegewogen in de strafmaat.
De rechtbank sprak verdachte vrij van overige tenlastegelegde feiten en verklaarde het OM ontvankelijk voor de overige feiten. De straf weerspiegelt de ernst van de fraude en het feitelijk leidinggeven door verdachte.
Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, wegens sociale zekerheidsfraude en feitelijk leidinggeven.