ECLI:NL:RBROT:2004:AR5336
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Kalk
- Buizer
- Boer
- Rechtspraak.nl
Ontnemingsvordering wegens leidinggeven aan cocaïnehandel en invoer
De rechtbank Rotterdam behandelt een ontnemingsvordering tegen een veroordeelde die volgens het arrest van het Gerechtshof te ’s-Gravenhage leiding gaf aan een organisatie die tussen 1997 en 1999 betrokken was bij handel en invoer van verdovende middelen. De rechtbank acht bewezen dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen uit deze criminele activiteiten.
Op basis van verklaringen van getuigen en financieel onderzoek stelt de rechtbank vast dat de veroordeelde betrokken was bij invoer van minimaal 906 kilogram cocaïne vanuit Curaçao en Aruba naar Nederland. Hierbij zijn de inkoop- en verkoopprijzen, alsmede kosten voor inpakken en overige operationele kosten, nauwkeurig berekend. De rechtbank corrigeert het voordeel met een matiging van 5% vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank verwerpt de stelling van de verdediging dat een deel van de opbrengst aan een medeverdachte toekomt en baseert zich op verklaringen die de leiding van de veroordeelde bevestigen. Uiteindelijk wordt het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 12.745.734,24 en wordt de verplichting tot betaling aan de staat vastgesteld op € 12.108.447,53.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken en is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank houdt rekening met de persoonlijke omstandigheden van de veroordeelde en de omstandigheden rondom de termijnoverschrijding.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van € 12.108.447,53 aan de staat wegens wederrechtelijk verkregen voordeel.