ECLI:NL:RBROT:2004:AO7448
Rechtbank Rotterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Weigering inschrijving geldtransactiekantoor wegens toezichtsantecedenten en overtredingen Wet MOT en Wgt
Verzoeker, een geldtransactiekantoor met ontheffing op grond van de Wet toezicht kredietwezen 1992, diende tijdig een aanvraag in voor inschrijving in het register van de Wet inzake de geldtransactiekantoren (Wgt). Na onderzoek door verweerster werden ernstige toezichtsantecedenten vastgesteld, waaronder overtredingen van artikel 11 van Pro de Wgt en artikel 9 van Pro de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT).
Verweerster besloot de inschrijving te weigeren, het verbod op het uitoefenen van geldtransferactiviteiten op verzoeker toe te passen en de ontheffing op grond van de Wtk 1992 in te trekken. Verzoeker maakte bezwaar en vroeg om een voorlopige voorziening om zijn activiteiten voort te zetten totdat op bezwaar zou zijn beslist.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het bestreden besluit grotendeels op rechtsgevolg is gericht en dat de intrekking van de ontheffing niet op zichzelf een zelfstandig rechtsgevolg heeft. De toezichtsantecedenten werden als ernstig beoordeeld en voldoende onderbouwd geacht. Verzoekers verweer werd onvoldoende geacht om het besluit te weerleggen.
Gezien het belang van de integriteit van het financiële stelsel en het ontbreken van een spoedeisende noodzaak voor voorlopige voortzetting van de activiteiten, wees de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening af. Het oordeel is voorlopig en niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in de hoofdzaak.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de weigering tot inschrijving blijft voorlopig gehandhaafd.