ECLI:NL:RBROT:2002:AR5218
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Th.G.M. Simons
- J. Riphagen
- M.J.L. Lamers-Wilbers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling misbruik economische machtspositie door gemeente Roosendaal in kunstzinnige vorming
De Stichting Academie voor Kunstzinnige Vorming klaagde dat de gemeentelijke Scholen voor kunstzinnige vorming in Roosendaal misbruik maken van een economische machtspositie door tarieven te hanteren die onder de marktprijs en zelfs onder de gemiddelde variabele kosten liggen. Verweerder wees de klacht af, stellende dat de Scholen onderdeel zijn van de gemeente en dat het tarievenbeleid niet autonoom door de Scholen wordt bepaald, maar door het gemeentebestuur. De rechtbank bevestigde dat de Scholen onzelfstandige onderdelen van de gemeente zijn en dat het handelen moet worden toegerekend aan de gemeente.
De rechtbank overwoog dat het hanteren van prijzen onder de gemiddelde variabele kosten niet per definitie misbruik inhoudt, maar afhankelijk is van de economische context en het doel van het prijsbeleid. De gemeente streeft naar laagdrempelig onderwijs en niet naar het verdringen van concurrenten voor winstmaximalisatie. Dit maakt dat het tarievenbeleid niet als misbruik kan worden gekwalificeerd. De rechtbank verwierp het beroep van de Stichting en verklaarde het beroep ongegrond.
De uitspraak benadrukt dat bij overheidsorganen eerst moet worden vastgesteld of zij als onderneming handelen alvorens het misbruiksverbod toe te passen. De jurisprudentie van het Hof van Justitie omtrent roofprijzen is als bewijsrechtelijke regel toegepast, waarbij de bewijslast omgekeerd wordt als prijzen onder de gemiddelde variabele kosten liggen. De gemeente kon aantonen dat haar doel niet was concurrenten uit te schakelen. De rechtbank zag geen reden tot het verruimen van het misbruikkader op basis van het gevolg van het handelen.
De procedure werd gevoegd met een ander beroep van de gemeente tegen hetzelfde besluit, en de Stichting werd in faillissement verklaard, waarna de curator het geding voortzette. De uitspraak kan in hoger beroep worden aangevochten bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.
Uitkomst: Het beroep van de Stichting wordt ongegrond verklaard; het tarievenbeleid van de gemeente is geen misbruik van een economische machtspositie.