ECLI:NL:RBROT:2001:AC2052
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Th.G.M. Simons
- C.P.M. van de Kerkhof
- M.J.L. Lamers-Wilbers
- Rechtspraak.nl
Prejudiciële vraag over inwisselingsplicht Duits rijbewijs en EU-richtlijn naleving
Eiseres, een Duitse staatsburger woonachtig en werkzaam in Nederland sinds 1996, bezit een Duits rijbewijs met levenslange geldigheid. De Nederlandse Dienst Wegverkeer weigerde haar rijbewijs te registreren vanwege bepalingen in de Wegenverkeerswet 1994 die vereisen dat rijbewijzen die langer dan tien jaar geleden zijn afgegeven, binnen één jaar na vestiging in Nederland worden ingewisseld voor een Nederlands rijbewijs.
De rechtbank stelt vast dat deze nationale regeling is gebaseerd op artikel 1, derde lid, van Richtlijn 91/439/EEG, die het gastland toestaat nationale bepalingen over geldigheidsduur toe te passen. Dit leidt echter tot een inwisselingsplicht die mogelijk strijdig is met het beginsel van onderlinge erkenning zonder formaliteiten zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Richtlijn.
De rechtbank verwijst naar het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-230/97 (Awoyemi) dat stelt dat lidstaten verplicht zijn rijbewijzen van andere lidstaten onderling te erkennen zonder inwisselingsplicht. Daarom legt de rechtbank prejudiciële vragen voor aan het Hof over de uitleg van de Richtlijn en de rechtmatigheid van de Nederlandse regeling.
De rechtbank vraagt tevens of een eventuele belemmering van het vrije verkeer van personen door deze regeling gerechtvaardigd kan worden door het doel van periodieke vernieuwing en beveiliging van rijbewijzen. De uitspraak is van belang voor de harmonisatie van rijbewijzenrecht binnen de EU en de rechten van ingezetenen met buitenlandse rijbewijzen.
Uitkomst: De rechtbank legt prejudiciële vragen voor aan het Hof van Justitie over de rechtmatigheid van de Nederlandse inwisselingsplicht voor Duitse rijbewijzen.